In het winterseizoen heb ik heel wat gespit. In de moestuin, de pluktuin, het aardappelland. Zeker als de grond eerder nog geen tuin was maar grasveld is dat stevig werk. Het hoeft niet heel heet te zijn om de jas al spoedig uit te doen. Ik moest denken aan voorgaande generaties, die hier gewerkt hebben om niet maar een paar vierkante meter maar vele hectares klaar te maken. Het veenmoeras werd heideveld, het heideveld werd bouwland. Jawel, later gebeurde deze ontginning ook wel met de ploeg, maar aanvankelijk was het allemaal handwerk. Dag in dag uit, van de vroege ochtend tot de late avond. De mannen werkten hun rug en handen krom. Daarover schrijft Anne de Vries (in Bartje zoekt het geluk): ‘Toch hebben die handen zich weer gehoorzaam ontsloten om de schop te vatten – altijd weer – en hebben gestreden en gezwoegd en gegraven in de aarde en geklauwd in de mest, om aan de avond het blanke brood te kunnen vasthouden en uit te delen aan de kinderen.’
Wat dat betreft komen we niet verder dan vakantiewerk. Jawel, gezwoeg blijft het. Maar het geeft ook vreugde. De spade gaat de grond in, de graszoden laten elkaar los, het stukje aarde splijt en geeft zijn geheimen bloot. Een molsgang wordt zichtbaar. Een engerling (larve van een meikever) rolt in de nieuw gevormde voor. Een dikke regenworm zoekt ijlings een heenkomen. Zwarte aarde, bruingeel zand en grijze grond wisselen elkaar af. De spade keert zich om, weer belandt een schep grond ondersteboven. Het gras dat bovenop groeide valt onderin de vore, daarboven de zwarte aarde, soms – als de laag teeltaarde erg dun was – daar boven nog een streepje zand.
Mooier wordt het er niet op, zeker niet als er zand bovenop komt liggen. Het groene gras verdwijnt onder, kale grond blijft over. En toch wordt ik er blij van als ik het zie. Want zo wordt de grond geschikt voor een nieuw doel: zaaien of poten, groeien en bloeien, plukken of oogsten. De omgekeerde aarde houdt een belofte in. Nee, niet dat ze perfect is. De graszode onderin de vore zal moeten verteren. De schrale grond vraagt om bemesting. Maar het belangrijkste begin is er!
Zo is het in de bekering. Het hart moet ondersteboven. ‘Wat een lust was wordt een last, wat een last was wordt een lust,’ zeggen we wel. Zo moet dat wat er eerst groeide ten onder gaan, opdat er ruimte komt voor dat wat vruchten kan dragen tot Gods eer. Er zal heel wat moeten gebeuren. Afsterving van de oude mens, dagelijks voedsel ontvangen voor de nieuwe mens. In dit leven zal de grond nooit volkomen vruchtbaar zijn. En andersom: onkruidvrij zal het ook niet worden. Maar er is voortgang – als het begin er maar is: een begin waarbij we ondersteboven gaan met onszelf. Dat doet pijn maar geeft vreugde!
