Bewogenheid

Deze week werd ik bij de dagelijkse lezing geraakt door een passage uit een boek van Charles Bridges (19e eeuw), een spiegel voor ons allen. Ik geef deze maar vertaald door.

 

Als de Heere ons onderwijst in de voorrechten van Zijn geboden, dan leert Hij ons bewogenheid met diegenen die ze niet houden. Dit was de houding van Jezus. Zijn leven toonde Iemand Wiens hart bestond uit zachtmoedigheid.

Bij sommige gelegenheden toonde Hij Zijn bewogenheid extra opmerkelijk. Tegen het einde van Zijn leven wordt beschreven hoe Hij Jeruzalem naderde en overzag. Deze stad was ‘schoon van gelegenheid, de vreugde van de gehele aarde’, maar nu overgegeven aan haar eigen wegen, en het oordeel naderde over haar. Toen ‘weende Hij over haar’.

Hij maakte toen een triomftocht. De lucht was vol hosanna’s, de weg bezaaid met takken, één en al vreugde en lof. Te midden van al deze opgewondenheid leek alleen de Zaligmaker geen oog te hebben voor de triomf, geen hart voor de vreugde. Zijn alwetende gedachten doorzagen de geestelijke leegheid van deze verdrietige gelegenheid. Daarom kon Hij wenen te midden van de vreugde. ‘Waterbeken vlieten af van mijn ogen, omdat zij Uw wet niet onderhouden.’

Een christen, en net zulke of andere omstandigheden, wordt gelijkvormig aan het beeld van zijn Heere. In zijn hart zal hij daarom innig betrokken zijn op de eer van zijn God, en diep bewogen zijn met arme zondaren die Zijn wet niet onderhouden, en verloren gaan onder hun eigen zonden. Zo kwelde ‘de rechtvaardige Lot’ zijn ziel vanwege de ‘onrechtvaardigheid van de goddelozen’ (2 Petr. 2:7-8). Zo viel Mozes op zijn aangezicht, en hij at geen brood veertig dagen en veertig nachten, vanwege al de zonden waarmee zij gezondigd hadden’ (Deut. 9:18-19). Zo deden ook Samuël (1 Sam. 15:11, 35) en Ezra (Ezra 9:3-4). En David, terwijl hij leed onder de onderdrukking door anderen (vers 134), toch was hij daarover nooit zo aangedaan als over hoe de wet van zijn God overtreden werd.

Is dit niet een bijzondere eigenschap van de dienaren des Heeren? Kunnen zij, in deze tijd van overvloedige goddeloosheid (zelfs in hun eigen omgeving), anders dan ‘wenen tussen de poort en het altaar’ (Joël 2:17)? Zo waren de profeten, zo verging het de apostelen (vergelijk Filipp. 3:18).

Zo wordt dus telkens weer het karakter van Gods kinderen geschetst. Zij zijn niet slechts mensen die vrij zijn van goddeloosheden, maar zij zuchten en roepen ook om de goddeloosheden die in het land gedaan worden (Ezech. 9:4).

Als je zo’n geest mist, dan toont dat hardheid en trots, dan is dat een pijnlijke vlek op de belijdenis van het Evangelie (1 Kor. 5:2). Hoe veel reden is er niet alom, om deze bewogenheid te kennen! De aangrijpende aanblik van een wereld die God verlaat, van menigten die spelen met hun eeuwige ondergang – alsof God een man was dat Hij liegen zou (Num. 23:19). Dat is toch zeker genoeg om waterbeken te wringen uit de harten van deze die begaan zijn met Zijn eer. Wat een menigte zonden stijgt op als een wolk voor de Heere, zelfs vanuit één enkel hart. Trek dan de lijn door naar een dorp, een stad, een land, een wereld! Iedere dag, ieder uur, ieder ogenblik – terecht zouden waterbeken uitgroeien tot een geweldige stroom, die ieder ogenblik uit haar oevers kan treden.

De vraag is niet of u uitwendig bent aangedaan (dat kan een kwestie van karakter zijn), maar of u de verloren toestand van uw mede-zondaren op uw hart draagt. Zouden we een brandend huis kunnen bekijken zonder onze zorg over de bewoners te laten merken? Maar toch, helaas, hoe vaak kijken we niet naar zielen op de rand van de ondergang (onbewust van enig gevaar) zonder echte bewogenheid. Hoe kunnen we christen zijn, als we niet geloven in de waarschuwingen in de Schrift voor hun gevaar? Of als we die geloven, onszelf niet aansporen om hen te helpen? Wat een onoprechtheid, als we wel bidden voor hun bekering maar geen moeite doen om die te bevorderen. O, laat het ons dagelijkse gebed zijn, dat deze onverschilligheid over hun eeuwige staat mag veranderen in een geest van wenende tederheid; dat we niet zullen leven alsof deze wereld een wereld zonder zielen was; dat we nooit zien hoe Gods sabbat geschonden wordt, Zijn wetten onder de voet gelopen, de goddelozen zich tegen God verzetten – zonder een sterker voornemen om zelf de wetten van God te onderhouden en bij deze overtreders te pleiten om dat ook te doen.

Hebben we geen geliefden in onze eigen familiekring die ook verloren liggen, ‘dood in misdaden en zonden’? Tot wat een gezegende familie behoort u, lezer, als er niet zulke voorwerpen voor uw medelijden zijn… Als dat zo is, dan is dat een voorrecht! Maar dan nog, houdt u zich stil? Hebt u geen goddeloze, onwetende buren om u heen? En blijven zij onbekeerd én ongewaarschuwd? Bezoeken we hen vol beleefdheid en vriendelijkheid, zonder hen iets mee te geven over de zorg voor de eeuwigheid?

Laten inderdaad onze gezinnen allereerst delen in onze bewogenheid. Maar laten daarna onze gemeenten, onze buren, ons land, de wereld een plaats krijgen in ons hart, in onze gebeden, in onze oprechte bezorgdheid.

Uit: Ch. Bridges, Psalm 119, op vers 136 (blz. 357-360).

Geplaatst in Uncategorized.

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *